|
|
Zorg voor leerlingen..
De zorg voor leerlingen met dyslexie, ADHD, autisme en hoogbegaafdheid
Een onderzoek naar de kwaliteit van handelingsplannen in het basisonderwijs in 2004
Inleiding
Het Ministerie van OCW heeft de inspectie van het onderwijs gevraagd een onderzoek uit te voeren
naar de wijze waarop basisscholen omgaan met leerlingen met de indicaties dyslexie, ADHD, een
stoornis in het autistisch spectrum 1 en hoogbegaafdheid. Aanleiding voor dit onderzoek is ondermeer
het aantal klachten dat het Ministerie van ouders ontvangt over het niet of slecht begeleiden van deze
leerlingen.
De inspectie heeft zich in dit onderzoek beperkt tot de vraag in welke mate er handelingsplannen voor
deze leerlingen op de basisscholen aanwezig zijn en wat de kwaliteit van deze plannen is.
In concreto zijn de volgende vragen als uitgangspunt gekozen voor het onderzoek.
1. Op hoeveel scholen komen leerlingen met de vier indicaties voor en in welke mate?
2. Hoeveel scholen beschikken over handelingsplannen en hoe intensief is de zorg?
3. Hoe is het gesteld met de kwaliteit van de handelingsplannen?
Methode
Er is een representatieve steekproef getrokken van vierhonderd basisscholen. Aan deze scholen is
een vragenlijst gestuurd; tevens is hun verzocht een voorbeeld van een handelingsplan, plan van
aanpak of praktijkadvies voor elk van de vier indicaties op te sturen naar de inspectie van het
onderwijs. De respons op de vragenlijst was 85 procent (341 scholen).
Tabel 1. Aantal en percentage scholen in de steekproef waar leerlingen met indicaties voorkomen en die
handelingsplannen hebben opgestuurd.
| | | Dyslexie | ADHD | Autisme | Hoogbegaafdheid |
| | | Aantal scholen | % | Aantal scholen | % | Aantal scholen | % | Aantal scholen | % |
| A | Steekproefgrootte | 341 | 100 | 341 | 100 | 341 | 100 | 341 | 100 |
| B | Scholen met leerlingen met een gekwalificeerde(door een bevoegde instantie vastgestelde)indicatie | 262 | 77 | 205 | 60 | 192 | 56 | 114 | 33 |
| C | Aantal scholen dat een handelingsplan heeft opgestuurd | 107 | | 63 | | 60 | | 41 | |
Het totaal aantal ontvangen handelingsplannen, plannen van aanpak of praktijkadviezen was bijna
vijfhonderd. Van deze documenten is nagegaan welke betrekking hadden op handelingsplannen en of
de school extern gediagnosticeerde leerlingen had. Het totaal aantal documenten dat aan deze criteria
beantwoordde was 271. Hierbij is gekozen voor één handelingsplan per school en per indicatie. De
handelingsplannen zijn als volgt verdeeld over de indicaties: dyslexie (107 plannen), ADHD (63
plannen), autisme (60 plannen) en hoogbegaafdheid (41 plannen). In verhouding tot het aantal
scholen dat aangeeft over handelingsplannen te beschikken (zie bijlage 1), dekken de opgestuurde
handelingsplannen respectievelijk 50, 100, 86 en 85 procent van deze scholen.
Voor het beoordelen van de handelingsplannen is gebruik gemaakt van een algemeen deel en een
inhoudelijk deel. Het algemeen gedeelte bevat vragen over de aspecten die beschreven worden in de
handelingsplannen van alle vier de indicaties. Het inhoudelijk deel is indicatiespecifiek en bevat een
beperkt aantal indicatoren die in de literatuur over de betreffende indicaties van belang worden geacht
voor een goede aanpak.
Het aantal extern gediagnosticeerde leerlingen
Leerlingen met de vier genoemde indicaties worden alleen als zodanig erkend als ze door een externe
specialist zijn onderzocht. Bijna tachtig procent van de scholen heeft te maken met leerlingen waarbij
de diagnose dyslexie is gesteld (zie tabel 1 en bijlage 1). Gemiddeld over de gehele steekproef gaat
het om 4,1 leerlingen per school of anders uitgedrukt 2,1 procent van de leerlingenpopulatie. Dat is
vergelijkbaar met eerder onderzoek van de inspectie (2004). Het CBS vermeldt een percentage uit
2001 van bijna vier procent maar daar zijn vermoedelijk ook intern gediagnosticeerde leerlingen in
meegenomen (CBS, 2003).
De indicaties ADHD en autisme komen op ruim de helft van de scholen voor. Op één derde van de
scholen komen één of meer leerlingen voor die als hoogbegaafd zijn gediagnosticeerd. Deze drie
indicaties gezamenlijk komen voor bij 1,8 procent van de leerlingenpopulatie.
De diagnose wordt meestal uitgevoerd door een psycholoog. Orthopedagogen verbonden aan een
schoolbegeleidingsdienst worden ook genoemd. Bij vermoedens van ADHD of autisme worden ook
vaak psychiaters, artsen (neurologen) en het RIAGG ingeschakeld. Het is opmerkelijk dat zo’n twintig
procent van de leerlingen waarbij de diagnose dyslexie of hoogbegaafd is vastgesteld niet door
externe deskundigen maar door intern begeleiders en/of remedial teachers 2 is onderzocht. Als reden
hiervoor geven sommige directies van kleine scholen aan dat de kosten voor een extern onderzoek
hoog zijn.
De diagnose vindt voor alle indicaties plaats vanaf groep 3. Voor ADHD, autisme en hoogbegaafdheid
geldt dat de diagnoses ook in groep 1 en 2 voorkomen. Het percentage gediagnosticeerde leerlingen
is vrij gelijkmatig over de groepen 3-8 verdeeld met een lichte stijging voor de indicaties dyslexie en
hoogbegaafdheid in de hogere groepen. Verschillende auteurs (Vernooy, 2004; Rispens, 2004) wijzen
op de wenselijkheid dyslexie zo vroeg mogelijk te signaleren. Als dit pas aan het eind van groep 3 of
nog later gebeurt, is dit een belemmering voor een effectieve aanpak.
De omvang en intensiteit van de zorg
Van de scholen die extern gediagnosticeerde leerlingen hebben met dyslexie, geeft 81 procent aan
over een handelingsplan te beschikken (zie bijlage 1). Het aantal handelingsplannen bij de andere
indicaties is veel geringer. Ongeveer één derde van de scholen beschikt over handelingsplannen voor
de andere indicaties. Voor de indicaties ADHD, autisme en hoogbegaafdheid wordt verhoudingsgewijs
vaker gebruik gemaakt van praktijkadviezen of plannen van aanpak maar deze hebben een tamelijk
globaal karakter.
De geïndiceerde leerlingen krijgen vooral hulp in de groep. Scholen bieden dyslectische leerlingen
daarnaast ook hulp buiten de groep aan in de vorm van remedial teaching. Uit de handelingsplannen
van hoogbegaafden blijkt dat op veertig procent van de scholen naast intern begeleiders ook externe
deskundigen bij de uitvoering van de hulp betrokken zijn.
De meeste handelingsplannen hebben een looptijd van maximaal een jaar. Omdat de problemen die
met de indicaties samenhangen structureel van karakter zijn, zou een lange termijnplanning veel meer
voor de hand liggen. Zo’n vijfentwintig procent van de handelingsplannen bij hoogbegaafdheid beslaat
een langere periode. Kinderen met een indicatie hebben veelal dagelijkse zorg nodig, die specifiek
gericht is op de indicatie. In de praktijk krijgen deze leerlingen gemiddeld twee á drie keer per week
extra hulp. Basisscholen schatten dat aan de zorg voor alle geïndiceerde leerlingen samen 2,6 tot 4,5
uren per week wordt besteed. Veel scholen blijken overigens deze vraag niet te kunnen
beantwoorden.
De overgrote meerderheid van de scholen is ervan overtuigd dat de extra inzet voor deze leerlingen
loont. De scholen die beschikken over een handelingsplan voor leerlingen met ADHD zijn het minst
tevreden over de bereikte resultaten. Scholen geven wel aan dat het resultaat van de inspanningen
moeilijk meetbaar is.
De algemene kwaliteit van handelingsplannen
De inspectie gaat ervan uit dat handelingsplannen minimaal een beschrijving van de hulpvraag,
specifieke leerdoelen en een aanpak voor het bereiken van de doelen moeten bevatten. Minder dan
de helft van de handelingsplannen (46 procent) beantwoordt aan deze eisen. De meeste scholen
beschikken over handelingsplannen waarin een beschrijving wordt gegeven van de beginsituatie en
van de methode om de gestelde doelen te realiseren. Zes van de tien plannen bevatten doelen die
specifiek zijn omschreven; bij de indicatie ADHD is dit bij minder dan de helft van de plannen het
geval. Op een ruime meerderheid van de scholen wordt het tijdstip van evaluatie op de
handelingsplannen vermeld. Overigens gebeurt dit vaker bij handelingsplannen voor dyslexie (79%)
dan bij plannen voor autistische leerlingen (53%). Over de wijze waarop het resultaat van de
handelingsplannen wordt geëvalueerd, zijn veel scholen niet erg duidelijk. Bij handelingsplannen voor
dyslexie beschrijft twee derde van de scholen dit wel maar bij de indicaties ADHD en autisme komt dit
op heel weinig scholen voor. Nieuwe afspraken voor verdere begeleiding worden, afhankelijk van de
indicatie, in 12 tot 42 procent van de handelingsplannen beschreven.
De inhoudelijke kwaliteit van handelingsplannen
De handelingsplannen zijn zowel beoordeeld op algemene als inhoudelijke kenmerken.
In handelingsplannen voor dyslexie wordt hoogst zelden verwezen naar het “Protocol Leesproblemen
en dyslexie”. Aspecten die op circa veertig procent van de scholen voorkomen, hebben betrekking op
didactische aanwijzingen, de motivatie voor het lezen hoog houden, uitbreiding van de leestijd en de
situatie in de klas. Het strategisch leren en de concentratie op de leertaak bevorderen krijgen slechts
in zo’n twintig procent van de handelingsplannen aandacht.
Tabel 2. Kwalitatieve aandachtspunten bij de handelingsplannen Dyslexie (107 handelingsplannen)
| Kenmerken |
Inhoudelijke aandachtspunten in het plan |
Aanwezig % ja |
Dyslexie
Dyslexie is een stoornis
die gekenmerkt wordt door
hardnekkige problemen in de
automatisering van de woordidentificatie
(lezen) en/of schriftbeeldvorming (spellen),
die niet aan
een lage intelligentie zijn toe te schrijven. |
Verwijzing naar “Protocol Leesproblemen en dyslexie” |
6,5 |
Het strategisch leren: bewust nieuwe strategieën aanleren passend bij bestaande leesstrategie (radend of spellend lezen) |
23,4 |
Het uitbreiden van de effectieve leestijd: leeskilometers maken |
35,5 |
De situatie in klas bij taal/lezen, rekenen, w.o. of andere vakken |
35,5 |
De motivatie voor het lezen hoog te houden |
41,1 |
De concentratie op de leertaak te bevorderen (bijv. instructie in kleine stappen) |
21,5 |
Didactische aanwijzingen; letten op lay-out (lettergrootte, verhouding tekst-illustratie etc), gebruik van hulpmiddelen |
43,0 |
In de handelingsplannen voor ADHD wordt het meest aandacht besteed aan het omgaan met gedrag
in algemene zin (65%). In minder dan de helft van de plannen wordt aandacht besteed aan de
taakaanpak, concentratiebevordering en omgaan met impulsiviteit. In de handelingsplannen wordt
nauwelijks aandacht besteed aan het reageren op motorische activiteit.
Tabel 3. Kwalitatieve aandachtspunten bij de handelingsplannen ADHD (63 handelingsplannen)
| Kenmerken |
Inhoudelijke aandachtspunten in het plan |
Aanwezig % ja |
ADHD
Bij ADHD dient het accent te
liggen bij de ondersteuning
van zelfregulatie en
zelfcontrole en het
voorkomen van negatieve
interacties
Probleemgebieden:
- Gedrag algemeen
- Aandacht/concentratie
- Taak aanpak
- Motorische activiteit
- Impulsiviteit |
Gedrag algemeen; bijvoorbeeld directe reactie op gedrag, bevorderen van positief
gedrag door positieve aandacht te geven, zoveel mogelijk negeren van negatief
gedrag, consequent zijn , werken met beloningssystemen |
65,1 |
Impulsiviteit; bijvoorbeeld regels en structuur bieden; stop-denk-doe- denk-
afspraken |
36,5 |
Aandacht/concentratie in de klas; Bijvoorbeeld strategische plaats in de klas,
oogcontact met leerkracht; leerstofaanbod variëren, bladwijzers met
Wie/Waar/Waarom/Wanneer /Hoe, rustige werkbladen met kernzaken |
38,1 |
Taak aanpak; bijvoorbeeld één opdracht tegelijk, kortdurende (deel) taken, op-dracht
herhalen (door leerling), volgorde taak op schrift of met pictogram, extra tijd |
41,3 |
Motorische activiteit; bijvoorbeeld wiebelen etc. negeren, af en toe activiteit
toestaan, zitbal/ kruk/ extra stoel |
14,3 |
In de handelingsplannen voor autisme wordt de meeste aandacht besteed aan het structureren van
leerstof en lesopbouw (70%) en sociale interactie (53%). In een minderheid van de handelingsplannen
wordt aandacht besteed aan taalgebruik door de leraar en het rekening houden met de denkwereld
van autistische leerlingen. Helemaal weinig aandacht is er voor motorische aspecten.
Tabel 4. Kwalitatieve aandachtspunten bij de handelingsplannen autisme (60 handelingsplannen)
| Kenmerken |
Inhoudelijke aandachtspunten in het plan |
Aanwezig % ja |
Autisme verwante stoornissen
Als algemene voorwaarde geldt
dat leerlingen met autisme
verwante stoornissen (bijv. PDD-
nos) een veilige en voorspelbare
omgeving nodig hebben met zo
weinig mogelijk onbegrijpelijke
veranderingen.
Problemen:
- informatieverwerking
- sociale interactie
- taal en communicatie
- denkstoornissen
- motoriek |
Structuur bieden; bijvoorbeeld Leerstof structureren, visualiseren in schema’s
en tabellen, consistente lesopbouw zodat leerling weet wat hij / zij kan
verwachten
|
70 |
Sociale interactie; bijvoorbeeld frustraties en plagerijen van klasgenoten
proberen te voorkomen, mogelijkheid tot individuele taakuitvoering, bij
gymnastiek vermijden dat de leerling als laatste gekozen wordt bij activiteiten,
extra stimulering en motivatie van buiten af is nodig om de gewenste resultaten
geleverd te krijgen, positieve bekrachtiging |
53,3 |
Taal en communicatie; bijvoorbeeld hanteren van korte zinnen waarin
concreet taalgebruik voorop staat vergemakkelijkt het begrip; groepsinstructie
kan tot problemen leiden, soms is een persoonlijke opmerking voldoende maar
individuele instructie of het op gang helpen bij verwerking van leerstof kan
nodig zijn |
36,7 |
Denkstoornissen; bijvoorbeeld fantasie begrenzen en hen terug te halen in de
werkelijkheid; veranderingen in lesprogramma, vervanging in verband met
ziekte moeten goed en op tijd worden voorbereid en uitgelegd om problemen
te voorkomen; nieuwe strategieën extra begeleiden |
28,3 |
Motoriek; bijvoorbeeld schrijftaken beperken, meer tijd geven om een
proefwerk of examen af te maken
|
11,7 |
In de handelingsplannen voor hoogbegaafden wordt het meest ingegaan op het aanbieden van extra
stof (78%), aanpassing van de reguliere leerstof (66%) en het door laten werken in eigen tempo. Vrij
weinig aandacht wordt besteed aan het versnellen (groep overslaan), beperken van instructies en van
herhalingsstof of oefenstof.
Tabel 5. Kwalitatieve aandachtspunten bij de handelingsplannen hoogbegaafdheid (41 handelingsplannen)
| Kenmerken |
Inhoudelijke aandachtspunten in het plan |
Aanwezig % ja |
Hoogbegaafdheid
KENMERKEN:
- Hoge intellectuele vermogens:
meestal wordt als grens een IQ
van 130 of hoger gehanteerd.
- Taakgerichtheid en volharding
(motivatie): doorzettingsvermogen
om een taak te volbrengen
- Creatief vermogen: hiermee wordt
bedoeld creatief zijn in het
oplossen van problemen. |
Aanpassing van het onderwijs op korte en lange termijn:
Aanpassing van reguliere leerstof in het onderwijsaanbod |
65,9 |
Beperken van instructies
|
14,6 |
Beperken van herhalings- en oefenstof |
2,4 |
Doorlaten werken in eigen tempo
Aanbieden van extra stof
|
51,2 |
Aanbieden van extra stof
|
78,0 |
Versnellen (groep overslaan)
|
24,4 |
Conclusies
Het percentage leerlingen met dyslexie (2,1 procent) is hoger dan dat van ADHD, autisme en
hoogbegaafdheid samen. Lang niet alle leerlingen waarvan de school het vermoeden heeft dat ze
dyslectisch zijn of hoogbegaafd, worden extern onderzocht. Vermoedelijk heeft het kostenaspect hier
iets mee te maken.
De inspectie van het onderwijs heeft in het laatste onderwijsverslag (Inspectie, 2004) vastgesteld dat
82 procent van de scholen handelingsplannen heeft voor leerlingen met extra onderwijsbehoeften. Uit
dit onderzoek blijkt dat dit percentage ook geldt voor leerlingen met dyslexie. De meerderheid van de
basisscholen heeft echter voor ADHD, autisme en hoogbegaafdheid geen handelingsplannen. Wel
geeft men aan dat er gebruik wordt gemaakt van praktijkadviezen of plannen van aanpak, maar deze
hebben een tamelijk globaal karakter.
Veel diagnoses worden gesteld in de bovenbouw. Als deze leerlingen op jongere leeftijd zouden zijn
onderzocht, zouden ze eerder gerichte ondersteuning kunnen krijgen.
De meeste handelingsplannen hebben een looptijd van maximaal een jaar. Omdat de problemen die
met de indicaties samenhangen structureel van karakter zijn, zou een lange termijnplanning veel meer
voor de hand liggen. Zo’n vijfentwintig procent van de handelingsplannen bij hoogbegaafdheid beslaat
een langere periode.
Kinderen met een indicatie hebben veelal dagelijkse zorg nodig. In de praktijk krijgen deze leerlingen
gemiddeld twee á drie keer per week extra hulp. Basisscholen schatten dat aan de zorg voor alle
geïndiceerde leerlingen samen 2,6 tot 4,5 uren per week wordt besteed. Veel scholen blijken
overigens deze vraag niet te kunnen beantwoorden.
De overgrote meerderheid van de scholen is ervan overtuigd dat de extra inzet voor deze leerlingen
loont. De scholen die beschikken over een handelingsplan voor leerlingen met ADHD zijn het minst
tevreden over de bereikte resultaten. Sommige scholen geven aan dat het resultaat van de
inspanningen moeilijk meetbaar is.
Iets minder dan de helft van de handelingsplannen beantwoordt aan de algemene eisen die de
inspectie van het onderwijs er aan stelt. In veel plannen ontbreekt ook de cyclus van specifieke
doelen, evaluatie en besluitvorming. Vooral de laatste twee aspecten komen weinig voor in de
plannen. Bij ADHD ontberen de meeste handelingsplannen specifieke doelen.
In de meeste handelingsplannen wordt te weinig aandacht besteed aan kwaliteitsaspecten die volgens
deskundigen belangrijk zijn voor een goede begeleiding. Indien bepaalde kwaliteitsaspecten in een
meerderheid van de handelingsplannen wel voorkomen, zijn dit meestal aspecten die relatief
eenvoudig uitvoerbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn reageren op gedrag (ADHD), leerstof
structureren (autisme) en extra leerstof aanbieden (hoogbegaafdheid). Belangrijke aspecten zoals de
leesstrategie bij dyslexie, impulsiviteit beheersen bij ADHD, taal en communicatie bij leerlingen met
een autistische stoornis en beperken van instructies bij hoogbegaafdheid ontbreken in de
handelingsplannen van de meeste basisscholen.
Samengevat concludeert de inspectie van het onderwijs dat te weinig scholen beschikken over
adequate handelingsplannen voor leerlingen met dyslexie, ADHD, autisme en hoogbegaafdheid.
Samenstelling projectgroep
Mw. drs. L. Tabak coördinerend inspecteur (projectleiding)
Dhr. dr. R. de Jong inspecteur (analyse en rapportage)
Mw. Y. de Graaf accountmedewerker (analyse handelingsplannen)
Dhr. dr. B. Milo adjunct-inspecteur (inhoudelijke ondersteuning en analyse)
Mw. Drs. H. Pinkster adjunct-inspecteur (inhoudelijke ondersteuning en analyse)
Mw. C. Rozdeiczer administratief ondersteuner (analyse handelingsplannen)
Mw. T. Veldman accountmedewerker (analyse handelingsplannen)
Dhr. B. de Vos accountmedewerker (analyse handelingsplannen)
Het hele rapport is hier te lezen:
"1" In het vervolg aangeduid met ‘autisme’
"2" Deze leerlingen zijn uiteraard buiten beschouwing gelaten in de analyses.
Zorg om leerlingen
|
|