De Stand van Educatief Nederland 2005
Stand van educatief Nederland 2005
Uit het advies van de Onderwijsraad:
De laatste jaren groeit de aandacht voor (hoog)begaafde leerlingen.
Naar schatting is de
helft van de basisscholen bekend met dit fenomeen, maar onduidelijk is hoeveel scholen
ook daadwerkelijk actie ondernemen. Om het onderwijs meer te laten aansluiten bij
(hoog)begaafde leerlingen, hanteren scholen die op dit terrein actief zijn uiteenlopende
methoden: de leerstof compacter aanbieden, extra leerstof, plusgroepen, en leerlingen
eerder laten instromen in het voortgezet onderwijs.
Ook zijn er begeleidingsstrategieën
voor (hoog)begaafde jongeren, bijvoorbeeld tutorprogramma’s waarbij oudere leerlingen
jongere leerlingen ondersteunen en uitdagen. Meer op alle leerlingen gericht is bijvoorbeeld
het netwerk Jongeren en Techniek (JetNet), dat bedoeld is om de aandacht voor
wetenschap en techniek onder leerlingen te vergroten. Verder zijn er private scholen speciaal
voor begaafde leerlingen en zijn er ouders die hun begaafde kinderen thuis onderwijs
geven.
Scholen werken bij het opzetten van hun aanbod meestal samen met schoolbegeleidingsdiensten,
speciale bureaus en andere deskundigen. Ook de overheid ontplooit
diverse initiatieven op het terrein van (hoog)begaafdheid, zoals de instelling van
een Landelijke Informatiepunt Hoogbegaafdheid, de ontwikkeling van een profiel voor
een begaafdheidsschool en het uitzetten van onderzoek naar optimale onderwijsarrangementen.
Over de kwaliteit en effecten van al deze verschillende manieren om met (hoog)begaafdheid
om te gaan, zijn nauwelijks gegevens bekend. Duidelijk is wel dat er nog veel winst
te boeken is.
Allereerst is diagnostische expertise in het algemeen nog onvoldoende aanwezig
bij basisscholen. Dit komt niet alleen doordat begaafdheid moeilijk te meten is;
het heeft ook te maken met een afwachtende (soms negatieve) houding van school en
leraren en een moeizame communicatie tussen school en ouders.
Andere belemmeringen liggen in het niet kunnen kiezen uit het aanbod aan methoden en de versnippering
van de ondersteuningsstructuur.
Een extra moeilijkheid is het ontbreken van cijfers over
het aantal (hoog)begaafde leerlingen dat in de problemen komt. Ook ontbreekt onderzoek
naar schoolloopbanen van (hoog)begaafden.
De raad heeft er eerder voor gepleit om op iedere basisschool één persoon (bijvoorbeeld
de interne begeleider) te scholen op dit thema. Ook zou het thema onderdeel moeten
zijn van het curriculum van de lerarenopleidingen en in nascholingstrajecten. Ten slotte
zou een heldere schoolvisie op de aanpak van (hoog)begaafdheid ondersteunend zijn bij
een goede communicatie tussen ouders en school.