Job Cohen was de laatste Nederlander die een proefschrift schreef over de rechtspositie van de onderwijsontvanger. Binnenkort treedt promovendus Niels Noorlander in zijn voetsporen met een dissertatie over de juridische status van de leerling in het primair en het voortgezet onderwijs. Wat zijn rechten en plichten van leerlingen en ouders en hoe zouden die verankerd moeten zijn? Nog voor het ‘Hora est’ klinkt, licht Inzicht een tipje van de sluier op.

In Den Haag, de stad waar wetten worden ontworpen en aanvaard, vertelt Niels Noorlander bij een cappuccino over het juridische proefschrift dat hij binnenkort bij de VU gaat verdedigen. Aan zijn croissantje komt de promovendus niet toe, zo enthousiast vertelt hij over het boek waar hij ruim vijf jaar aan heeft gewerkt. Ik heb de samenvatting gelezen en vond die wel wat theoretisch. Dus hoop ik in dit gesprek een wat concreter beeld te krijgen van de basisgedachten van het verhaal.

Wat heb je onderzocht in je proefschrift?
Ik heb eerst bekeken welke noties aan de verhouding russen de school en leerlingen en ouders ten grondslag liggen, wat de rechten van ouders en leerlingen in het onderwijs zijn, zoals vrijheid van onderwijs, recht op onderwijs, de kwaliteit van het onderwijs en pedagogische vrijheid. Ik ben dus nagegaan wat de juridische grondslagen zijn van deze verhouding. Deze vloeien voort uit internationale verdragen en artikel 23 in de grondwet en vormen het theoretische raamwerk van mijn proefschrift. In dit deel heb ik het standpunt naar voren gebracht dat het openbaar onderwijs in ons onderwijsbestel een lichte voorrangspositie zou moeten hebben.. De overheid moet zich hard maken voor het openbaar onderwijs, omdat kinderen niet gedwongen kunnen worden van het bijzonder onderwijs gebruik te maken. De overheid heeft dus een belangrijke verantwoordelijkheid voor het openbaar onderwijs.
Dit doet echter niet af aan mijn waardering voor de vrijheid van onderwijs en dat het belangrijk is dat dit grondrecht behouden blijft.

Waarom heb je niet gekeken hoe in de praktijk wordt omgegaan met rechten van ouders en leerlingen in het onderwijs?
Het is een juridisch proefschrift dat tot stand is gekomen op basis van de gebruikelijk juridische onderzoeksmethoden, zoals wetgevingsanalyse en jurisprudentieonderzoek. Wel heb ik zijdelings sociologische en filosofische inzichten gebruikt. Ik heb de rechtspositie van leerlingen en ouders bestudeerd, heb deze beschreven en aangegeven hoe deze verbeterd zou kunnen worden.
De thema’s waar ik naar heb gekeken zijn schoolkeuze en toelating, de uitoefening van grondrechten in de school,de kwaliteit van het onderwijs, de beoordeling van onderwijsprestaties en de toepassing van tuchtmaatregelen in de school.

Wat heb je bijvoorbeeld ontdekt?
Ik heb gezien dat rechten en plichten van leerlingen vaak niet zijn vastgelegd in de wet. Ik pleit ervoor om dat wel te doen. Wat veel mensen niet doorhebben is dat zodra je kind is toegelaten tot een bepaalde school, je een stilzwijgende onderwijsovereenkomst hebt met die school. Over de aard van de rechtsverhouding - publiekrechtelijk of privaatrechtelijk - bestaat op dit moment nog niet veel duidelijkheid. In het openbaar onderwijs moet de onderwijsverhouding naar mijn oordeel worden bestempeld als een publiekrechtelijke onderwijsovereenkomst en in het bijzonder onderwijs als een privaatrechtelijke..
Ik ben er voorstander van om de onderwijsovereenkomst in de onderwijswetgeving vast te leggen. Dan kan er geen misverstand meer bestaan over de aard van de rechtsverhouding, Dat is van belang voor de rechtsbescherming en om te bepalen welk recht van toepassing is.

Wat zie je als het grootste juridische probleem in de verhouding tussen scholen en leerlingen/ouders?
Scholen zijn zich er lang niet altijd van bewust dat leerlingen grondrechtdragers zijn.Zo worden de grondrechten van leerlingen niet altijd onderkend, althans ziet de school niet in dat leerlingen de grondrechten als het ware ‘meenemen’ naar school.
Er is sprake van een machtsverhouding tussen de school enerzijds en leerlingen en ouders anderzijds. Onderwijs heeft een ‘sleutelmacht’ tot beroepen en opleidingen, wat betekent dat het een cruciale rol vervult bij de toewijzing van jonge mensen naar de arbeidsmarkt.
Sommige leraren voelen zich almachtig tegenover de leerlingen. Een voorbeeld is intimiderend gedrag van een leraar. Als een leraar bijvoorbeeld zegt “ik pak jou wel op het mondelinge examen” dan maakt hij misbruik van zijn machtspositie. Of een leraar die een lastige leerling uit de klas neemt en zegt dat hij hem de volgende keer een flinke hengst zal verkopen: dat is intimiderend gedrag en is verboden. Tegenwoordig geldt er een klachtenprocedure en daar wordt veelvuldig gebruik van gemaakt. Leerlingen en ouders kunnen op deze manier hun ei kwijt bij een onpartijdige instantie die hun grieven serieus neemt.De machtsongelijkheid wordt tegenwoordig dus veel beter dan voorheen gecompenseerd door rechten en plichten van leerlingen en ouders.

Wat beveel je dus aan?
Ik vind dat de belangrijkste rechten van leerlingen en ouders moeten worden vastgelegd in de onderwijswetgeving. Voorbeelden van dergelijke rechten, zijn het recht op deelname aan onderwijs, het recht op een faire beoordeling (bij proefwerken en examens) en het recht op een faire tuchtprocedure.
Scholen moeten zich meer bewust worden van de rechten van leerlingen in het onderwijs. En in de lerarenopleidingen moet meer aandacht komen voor de rechten van leerlingen, voor communicatie, voor het aanleren van beroepsethiek en standaarden die daarbij horen.

Wat zie je als belangrijke ontwikkeling?
Een belangrijke trend is de juridisering van de verhouding tussen de school en leerlingen en ouders. Er is hierbij een verschuiving gaande van het ‘aanbodperspectief’, het perspectief van het bevoegd gezag van de school. naar het ‘vragersperspectief’, het perspectief van de leerling of student. Deze trend zie je terug in de recente experimenten met vouchers in het hoger onderwijs en in de leerlinggebonden financiering. Dit gaat samen met de tendens tot autonomievergroting voor de scholen en dat levert soms een spanningsveld op.
Uiteraard moet de juridisering van het onderwijs niet doorslaan. Een instelling heeft pedagogische vrijheid , waarin het recht niet teveel moet binnendringen. Als dat gebeurt komt de kwaliteit van het onderwijsproces zelf in het gedrang. We moeten niet de ontwikkeling willen zoals in de Verenigde Staten, waar sommige mensen geen arts meer durven te worden uit angst om te pas en te onpas civielrechtelijk aansprakelijk te worden gesteld! Scholen moeten zich niet teveel in een hoek gedrukt voelen.

Je bent het met de Onderwijsraad eens dat verplichte spreiding van leerlingen op grond van etniciteit niet mag.
Het spreiden van leerlingen op grond van etniciteit is juridisch gezien nooit geoorloofd. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het Internationale Verdrag over de Uitsluiting van alle vormen van Rassendiscriminatie. Dat principe geldt bijvoorbeeld ook in de volkshuisvesting. Spreiden op grond van taalachterstand kan juridisch gezien wel door de beugel. Dat is weliswaar indirecte discriminatie maar kan worden ‘gebillijkt’ door een objectieve rechtvaardigingsgrond. Deze rechtvaardiging moet vooral worden gezocht in verbetering van de kwaliteit van het onderwijs op scholen met veel allochtone kinderen en in de integratie van allochtonen in de samenleving. Hierbij zouden dubbele wachtlijsten op grond van taalachterstand een kans moeten krijgen. Deze werken minder stigmatiserend dan wachtlijsten op grond van ethniciteit. Ook autochtone leerlingen kan de toegang tot de school worden geweigerd ; dat geeft aan dat integratie een tweezijdig proces is, waarvoor ook autochtonen opofferingen moeten doen.

Hoe is je tijd als promovendus eigenlijk verlopen? Ooit een crisis gehad?
Tijdens mijn rechtenstudie ben ik nooit echt met het onderwijsrecht in aanraking gekomen. Maar mijn vader is zijn hele leven al leraar dus het onderwijs is me niet vreemd. Ik kwam met het onderzoeksvoorstel in contact en heb gesolliciteerd naar een AIO-plaats aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ik ben daar 1 maart 2000 begonnen en heb daarnaast ook het een en ander gepubliceerd, Ik werk bij een advocatenkantoor en geef les aan de universiteit. De beruchte ‘aio-dip’ heb ik gelukkig niet gehad. In het begin heb ik een korte tijd diep nagedacht over hoe ik het proefschrift zou gaan structureren, maar ik heb wel altijd geweten welke richting het onderzoek opmoest. Ik heb ook met veel plezier aan mijn proefschrift gewerkt. Het onderwijsrecht is erg veelzijdig. Er zit privaatrecht in, maar ook publiekrecht en internationaal recht. Veel rechtsgebieden komen in het onderwijsrecht samen. Ook kom je in aanraking met interessante inzichten van aanpalende wetenschappen, zoals de onderwijssociologie en de onderwijskunde.

Mooiste moment?
Het was leuk om op het stadhuis in Amsterdam met Job Cohen over het proefschrift te praten. Hij is de enige die ooit eerder een proefschrift schreef over rechten van de onderwijsontvanger in het onderwijs. Hij vertelde mij dat hij het aardig zou vinden om een vraag te kunnen stellen tijdens de promotie. Mijn leescommissie was eigenlijk al samengesteld, maar ik heb de toetreding van Cohen toch nog kunnen regelen. Daarnaast ben ik altijd met veel plezier naar Leuven en Antwerpen afgereisd om daar met twee Vlaamse hoogleraren onderwijsrecht - die overigens lid zijn van mijn leescommissie - over mijn proefschrift te praten.

Petra van den broek

C.W. Noorlander, Recht doen aan leerlingen en ouders. De rechtspositie van leerlingen en ouders in het primair en voortgezet onderwijs, (diss. VU), Tilburg: Wolf Legal Publishers 2005. Dit proefschrift wordt door Niels Noorlander op 7 december 2005 verdedigd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en is vanaf begin december 2005 verkrijgbaar in de boekhandel.