Autisme als Hype
Overgenomen van: F. Scholte
De laatste paar jaar zien we het aantal mensen (kinderen en volwassenen) met de diagnose autisme toenemen. Deze toename
is zo fors dat veel mensen in hun familie- of kennissenkring wel iemand kennen die autistisch is. Op een aanzienlijk
aantal basisscholen zitten leerlingen, soms meerdere in één klas, met een autisme spectrum stoornis (ASS) of PDD-NOS
(aan autisme verwante stoornis). Het concept van het autistisch spectrum is ontwikkeld om autisme in zijn verschillende
vormen en gradaties in een overzicht te kunnen plaatsen: zo zien we aan de ene kant de zeer ernstige klassieke vorm en aan
het andere uiteinde van de as de lichtere vormen zoals het Syndroom van Asperger. Kritische vragen van hulverleners over het
toenemend aantal diagnoses worden “beantwoord” door te verwijzen naar dit spectrum en naar een betere diagnostiek: “autisme is
een zeer breed verzamelbegrip en ook de hele lichte gevallen kunnen nu onderkend worden.”
In dit artikel zal ik de onevenredige, zelfs exorbitante aantallen diagnoses plaatsen in een breder en tevens maatschappelijk kader.
Omdat de groep hoogintelligente mensen oververtegenwoordigd is, wordt aan deze groep extra aandacht besteed. Vervolgens zal ik
mogelijke gevolgen van foute diagnoses onder de loep nemen en suggesties doen voor het keren van het tij.
1.Oorzaken en symptomen van autisme
Het ziektebeeld autisme kent net als andere ziektebeelden een historie als het gaat om inzicht in de stoornis. Voor 1940 werd
autisme alleen gediagnosticeerd bij mensen met een zeer lage intelligentie en met nauwelijks taalontwikkeling. Deze vorm wordt
in het spectrum aangeduid als klassiek autisme. In de jaren veertig van de vorige eeuw werd onderkend dat autisme ook samen kan
gaan met een normale tot bovennormale intelligentie en in samenhang daarmee met taalontwikkeling en spraak. Deze vorm werd het
Asperger Syndroom genoemd naar Hans Asperger, die het als eerste beschreef.
Autisme is een ernstige, aangeboren stoornis, die verstrekkende gevolgen heeft voor het functioneren van een persoon. Uit
onderzoek blijkt dat er bij autisme sprake is van hersenafwijkingen. In essentie is autisme een informatieverwerkingsstoornis:
de zintuigen verwerken zowel prikkels van binnenuit, als van buitenaf op een niet adequate manier. De verstoring van de waarneming
kan ernstig, of minder ernstig zijn en meerdere zintuigen betreffen, dus ook het gehoor, de tast en de smaak. De gevolgen hiervan
vertalen zich in een scala van symptomen.
In de vroegkinderlijke ontwikkeling vormt de waarneming van het eigen lichaam de basis voor de verdere ontplooiing.
Prikkels werken van buitenaf in op het kind, maar er zijn natuurlijk ook lichaamsensaties, zoals vermoeidheid en pijn.
Als de waarneming gedurende de vroege ontwikkeling verstoord verloopt, dan heeft dit gevolgen voor het lichaamsbeeld en
lichaamsbesef. Het lichaamsbeeld geeft de mens de mogelijkheid allerlei handelingen uit te voeren zonder er bij na te denken.
Als het lichaamsbeeld niet goed ontwikkeld is, kan dit gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de oog-hand coördinatie. Het
lichaamsbesef zorgt er voor dat de mens weet hoe hij zich verhoudt tot de ruimte en wat zich daarin bevindt: denk hierbij
aan bijvoorbeeld boven en onder, of afstand en nabijheid. Een verstoord lichaamsbeeld en lichaamsbesef hebben dus gevolgen
voor het bewegen, de oriëntatie in de ruimte en het handelen. Ontwikkeling van tijdsbesef hangt samen met oriëntatie in de
ruimte; denk hierbij aan iets “achter de rug” hebben en iets “nog voor je” hebben.
Een paar voorbeelden: het autistische kind heeft moeite samenhangende gehelen te maken op basis van verschillende details,
Als de waarneming verbrokkeld is en onderdelen met andere delen vervloeien, dan leidt het ordenen tot problemen. Een kind
dat met deze handicap zijn weg in het leven moet vinden, zal angstig zijn en als zijn wereld verstoord wordt, boos en
gefrustreerd reageren. Rituelen moeten de angst dan bezweren.
Denken we aan het voortdurend in verandering zijn van gezichten van mensen dan wordt begrijpelijk dat het kind zich voor
die doorgaande, verwarrende en angstig makende verandering probeert af te sluiten: het kind maakt slecht oogcontact. Het
kind leert daardoor niet, of moeizaam, emoties af te lezen op gezichten. Het leert ook niet zijn eigen gevoelens goed te
onderscheiden; het mist de spiegel die daarvoor nodig is. We zien dan ook bij autistische mensen een gebrekkig inzicht in
de eigen gemoedsbeweging en moeite met inleving in anderen.
Het geven van betekenis aan voorwerpen is lastig, als het moeilijk is het voorwerp in zijn geheel te zien, of los van andere
voorwerpen. Het wordt nog lastiger als verschillende voorwerpen toch dezelfde benaming krijgen. Begripsvorming en abstraheren
en daarmee het begrijpen van symbolen en figuurlijk taalgebruik geven problemen. Een eerste uiting hiervan zien we bij de
autistische peuter die de overgang naar het fantasiespel niet maakt. Samenvattend kun je zeggen dat de problemen met waarnemen,
zoals boven beschreven, de basis vormen voor problemen met bewegen, oriëntatie in de ruimte en tijd, ordening en planning. Het
leervermogen is beperkt door de moeite met betekenisverlening en abstraheren. De sociaal-emotionele ontwikkeling verloopt traag
en moeizaam. Autisme heeft dus gevolgen voor het denken, voelen en handelen in de breedste zin van het woord.
Bij een autistisch kind met cognitieve vermogens en taalontwikkeling zijn de symptomen van de stoornis minder ernstig,
omdat het meer mogelijkheden heeft zijn wereld te ordenen en contacten aan te gaan. De basis van de stoornis blijft echter hetzelfde.
Bij het stellen van een diagnose moeten de symptomen terug te voeren zijn op deze oorzaak.
Er zijn verschillende theorieën die autisme proberen te verklaren. In sommige van die verklaringen krijgen symptomen nogal
eens de status van oorzaak.
PDD-NOS is een aan autisme verwante stoornis. Kenmerkend is dat er onvoldoende symptomen zijn om echt van autisme te kunnen spreken.
Bij PDD-NOS is er sprake van ernstige problemen in de sociale interactie en met verbale en non-verbale communicatie.
Kinderen met deze stoornis houden zich dwangmatig vast aan regels en bepaalde activiteiten. Zo voelen ze zich minder angstig.
De oorzaak van de stoornis is nog onvoldoende onderzocht.
2. De toename van het aantal cliënten met de diagnose ASS en PDD-NOS in het kader van maatschappelijke, sociaal culturele en wetenschappelijke ontwikkelingen.
In de jaren zestig komt er een proces op gang die het individu en de persoonlijke ontwikkeling meer centraal stelt. Mensen maken
zich los van oude patronen en samenlevingsverbanden. Zelfonderzoek en zelfontplooiing worden belangrijke items. Mensen stellen
vragen, ook bij de ontwikkeling van hun kinderen en gaan op zoek naar antwoorden. Zo wordt geestelijke hulpverlening meer en
meer gemeengoed en dus ook onderzoek en behandeling. Dit onderzoek naar mogelijke ontwikkelingsachterstanden heeft ook een
keerzijde. Er wordt minder afgewacht en eerder een stoornis verondersteld.
Ook de emancipatie van specifieke groepen in de samenleving komt op gang. Cliëntengroepen of ouders van cliënten organiseren
zich en komen op voor hun rechten. Voor ouders van kinderen met een autistische stoornis betekent dit dat ze eindelijk
aandacht kunnen vragen voor goede hulp en goede behandelmethoden. Ze doen dit met succes. Autisme, voorheen een relatief
onbekende aandoening, staat volop in de belangstelling. Ook hier zien we een keerzijde zoals zal blijken uit het volgende stukje.
Er treedt in de algemene omgang een verandering op, die wel omschreven wordt als de overgang van een bevelcultuur naar een
onderhandelingscultuur. Er komt ruimte voor de invloed van het individu. Zelfredzaamheid en in samenhang daarmee communicatie
en samenwerking worden belangrijke competenties. In het onderwijs, afspiegeling van de maatschappij, wordt bij leerlingen meer
en meer een beroep gedaan op deze vaardigheden. Er wordt samengewerkt aan projecten, het studiehuis wordt ingevoerd.
Samenvallend met de bezuinigingen in het onderwijs vanaf de tachtiger jaren, maar tevens gekoppeld aan emancipatie van
gehandicapten in de jaren negentig, wordt het “Weer Samen naar School” project geïntroduceerd. Het beoogt kinderen die
voorheen scholen voor speciaal onderwijs bezochten in het reguliere onderwijs op te vangen. Leerkrachten worden geschoold in
het herkennen van stoornissen bij kinderen. “Weer samen naar school” verzwaart de last van leerkrachten aanzienlijk. Er zitten
kinderen met uiteenlopende problematiek in volle klassen. De behoefte aan verklaringen in de zin van een stoornis neemt daardoor
toe; ADHD, dyslexie en autisme zijn stoornissen waaraan in cursussen specifieke aandacht wordt besteed. Bij het leren onderkennen
van een ernstige stoornis als autisme in een korte cursus, kun je vragen stellen. De leerkracht wordt geleerd op welke symptomen
hij moet letten. Het resultaat kun je vergelijken met het kennen van verschillende ingrediënten voor een krentenbrood, zonder dat
je ooit een krentenbrood gezien of geproefd hebt.
Het gevolg van dit alles is dat kinderen, die zich om wat voor reden dan ook, minder sociaal en communicatief gedragen dan
gemiddeld, al gauw gezien worden als mogelijk autistisch. Dit vormt dan de eerste aanzet richting het krijgen van het etiket
ASS, of PDD-NOS.
De GGZ stelt, vanuit oogpunt van efficiëntie, in deze zelfde periode speciale teams in voor diagnostiek en behandeling. Een kind,
dat vanuit het onderwijs doorgestuurd wordt naar de GGZ, zal, als er gedacht wordt aan autisme, terecht komen bij het speciale
team voor autisme. In de jaren zestig is al in wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat waar gescreend wordt op een specifieke
stoornis, deze stoornis ook vaak gevonden wordt. Toegepast op autisme: de kans is groot dat het kader autisme bepaalt wat er
gezien en niet gezien wordt en dat uitgevoerde testen vanuit een tunnelvisie geïnterpreteerd worden. Hier komt bij dat er voor
de anamnese ( de levensgeschiedenis van de client), ouders verzocht worden lijsten in te vullen, waarin gevraagd wordt naar
kenmerken die kunnen wijzen op autisme. Ouders kennen echter het criterium waarop de vraag gebaseerd is niet. Er wordt gevraagd
of het kind beperkte interesses heeft, maar bedoeld wordt of het eenzijdige, niet-functionele interesses heeft. Ouders
vullen “ja” in, omdat ze vinden dat hun kind veel achter de computer zit. De nogal eens onervaren hulpverlener interpreteert
dit op twee manieren: er is sprake van eenzijdigheid en de client richt zich niet op mensen. Het kind zelf houdt zich
ondertussen op de computer met een scala aan onderwerpen bezig, waarbij het contact heeft met mensen die zijn interesses
delen. Een bijkomend probleem betreft de objectiviteit van ouders. Bekend is dat ouders onderling al verschillend tegen
hun kind aan kunnen kijken; terwijl de één weinig problemen ziet, kan de ander zich grote zorgen maken. Het wordt voor
de hulpverlener, die naar aanleiding van de antwoord en een gesprek voert met ouders en kind, vervolgens lastig om zelf
nog onbevooroordeeld naar het kind te kijken.
Een bijkomende ontwikkeling in de jaren negentig is het toenemend gebruik van de DSM voor het stellen van diagnoses.
De DSM is een internationaal classificatieoverzicht van psychiatrische stoornissen. Het doel is overeenstemming te bereiken
over de gebruikte terminologie. Stoornissen worden beschreven aan de hand van observeerbare symptomen. In de DSM wordt
niet naar de oorzaak van symptomen gekeken of naar de samenhang er tussen. Dit zijn echter wel belangrijke voorwaarden
voor het vaststellen van een juiste diagnose. Een voorbeeld: slecht oogcontact als uiting van verlegenheid is totaal iets
anders, dan weinig oogcontact maken om je te kunnen onttrekken aan de voortdurende verandering van gezichtsuitdrukkingen.
Als er weinig oogcontact is, verloopt de sociale interactie moeizaam. Wanneer de oorzaak verlegenheid is, hoeft dat niet
blijvend te zijn; in geval van autisme zal de interactie altijd problematisch zijn. Door het gebruik van de DSM als
diagnostisch instrument wordt er minder zorgvuldig onderzoek gedaan naar de achtergronden van symptomen, terwijl dit
essentieel is om goed te kunnen interpreteren. Een laatste belangrijke ontwikkeling in dit verband is dat zorgverzekeraars
met de GGZ overeenkomen dat ze alleen vergoeden als er sprake is van stoornissen. Het hebben van een tijdelijk lichter
probleem is niet genoeg. De GGZ gebruikt voor het vaststellen van die stoornissen vaak de DSM. In de vierde versie van
de DSM (DSM4) zijn er minder symptomen nodig om binnen het spectrum autisme te vallen. De neiging om naar losse symptomen
te kijken is daardoor helaas alleen maar vergroot.
Samenvattend kun je concluderen dat de behoefte aan diagnosticeren in de vorm van het benoemen van stoornissen om diverse
redenen is toegenomen. Het screenen moet snel en efficiënt gebeuren en dit gaat ten koste van het zoeken naar de achtergronden
van symptomen. De stoornis autisme is in trek omdat bij deze stoornis de sociale interactie en sociale communicatie in het
geding zijn. Autisme is goed te gebruiken als diagnose: het kent veel symptomen, en vooral bij de lichtere vormen hoeven
niet alle uitingsvormen aanwezig te zijn. PDD-NOS, een eveneens ernstige stoornis,is nog gemakkelijker te gebruiken, als
een lichte afwijking. De angel in dit geheel is het woord “spectrum”, want het zet de deur naar oprekken van het begrip
autisme wagenwijd open. Het versimpelen van het Syndroom van Asperger tot contactproblemen en problemen met taakplanning
is hiervan een uiting.
De exponentiële groei van het aantal diagnoses Syndroom van Asperger en PDD-NOS van de laatste 15 jaar, past dus bij
bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen in deze periode.
3. Autisme en hoogbegaafdheid: werelden van verschil.
Implicaties voor leren en opleiding.
Het vaststellen van een autistische stoornis bij kinderen met een gemiddelde en bovengemiddelde intelligentie neemt de
laatste jaren explosief toe. Op dit moment zien we dat deze groep het voortgezet en hoger onderwijs bereikt. Zo heeft
Eindhoven een school voor speciaal voortgezet onderwijs voor intelligente kinderen met ASS. Op verschillende hogescholen
en universiteiten is sprake van een flink aantal inschrijvingen van autistische studenten. In reactie hierop worden
mentoren getraind in het begeleiden van deze studenten. De Radboud Universiteit start een project voor autistische
studenten: de student krijgt een Buddy die hem helpt met allerlei problemen. Ondertussen vraagt men zich wel wat zorgelijk
af of deze groep wel goed te begeleiden is, maar de hamvraag: “Wat is hier eigenlijk aan de hand?”, lijkt niet gesteld te worden.
De groep hoogbegaafde kinderen loopt extra risico om het etiket autistisch te krijgen. Mensen die hoogbegaafd zijn
en mensen die lijden aan het Aspergersyndroom kunnen namelijk oppervlakkig gezien een aantal overeenkomsten hebben.
Bij nadere beschouwing zijn er, als er gekeken wordt naar oorzaken, echter grote verschillen. Ik wil deze groep als uitgangspunt
nemen voor mijn verdere verhaal.
Hoogbegaafde kinderen hebben soms moeite met veranderingen, niet omdat ze een nieuwe situatie niet aan zouden kunnen,
maar omdat er zóveel te ontdekken valt in een situatie dat ze overspoeld worden door alles wat ze opmerken en willen
doorgronden. Iemand met het Syndroom van Asperger heeft moeite zijn wereld als een eenheid te ervaren, worden er dingen
veranderd in de situatie dan moet hij opnieuw alle zeilen bijzetten om zijn gefragmenteerde wereld te ordenen en te begrijpen.
De taalontwikkeling van een hoogbegaafde is vaak zo vergevorderd, dat deze formeel aandoet. Iemand met Asperger, kopieert
mooie zinnen, maar hij vat de inhoud letterlijk op.
Een hoogbegaafde heeft vaak oog voor details, maar verliest de rode draad niet uit het oog en heeft zicht op de kern van het
geheel, terwijl de persoon met het Syndroom van Asperger uitweidt over niet ter zake doende dingen. Hoogbegaafde mensen
kunnen zich soms lang en diepgaand met een onderwerp bezighouden, iemand met Asperger herhaalt zichzelf voortdurend, er vindt
geen verdieping plaats.
Een hoogbegaafde is vaak alleen, omdat hij zijn leeftijdsgenoten ver vooruit is en daardoor niet begrepen wordt. Niet het
gebrek aan het kunnen aanvoelen van de ander en dus onvermogen ligt ten grondslag aan problemen met samenspelen en samenwerken,
maar gebrek aan aansluiting. Het niet begrepen worden werkt frustratie/boosheid in de hand, maar ook faalangst en het minder
ontwikkelen van sociale vaardigheden.
Hoogbegaafde mensen werken vaak liever alleen: het gemiddelde niveau is niet uitdagend en bevredigend. Iemand met het
Syndroom van Asperger daarentegen kan zich moeilijk verplaatsen in de ander, dus er is onvermogen om te kunnen samenwerken.
Een hoogbegaafde kan moeite lijken te hebben met planning. Gezien zijn analytisch vermogen is het echter niet het plannen zelf
dat problemen veroorzaakt. Vaak heeft een hoogbegaafde zoveel ideeën dat hij geen keuze kan maken en dus maar niet begint. Of
het omgekeerde: hij verdiept zich zo in één onderwerp dat hij de rest van de wereld, dus zijn planning vergeet. Soms weet hij
zo goed wat er nog ontbreekt aan het product, dat hij het niet goed genoeg acht om het in te leveren. Soms denkt hij zo snel
en is het resultaat zo onorthodox, dat het lijkt of hij stappen overslaat en daardoor tot een verkeerd resultaat komt. De
problemen met planning van autistische mensen zijn terug te voeren op ordeningsproblemen, op het op een basaal niveau niet kunnen
onderscheiden van hoofd- en bijzaken.
Mensen die lijden aan het Syndroom van Asperger kunnen ondanks hun intelligentie geen Havo of VWO volgen, laat staan het HBO
of de universiteit bereiken omdat ze een aantal essentiele vaardigheden missen. Ook hiervan een paar voorbeelden:
Iemand die wel een goed taalbegrip lijkt te hebben, maar moeite heeft met figuurlijk taalgebruik en symboliek kan geen
eindexamen Nederlands of andere talen doen op HAVO/ VWO niveau. Iemand die echt beperkte interesses heeft en daar star
over praat verliest de aansluiting. Iemand die gefragmenteerd denkt, kan geen hoofdlijnen benoemen en samenvattingen maken,
nodig bij veel vakken. Iemand die zich niet kan verplaatsen in anderen, kan zich niet verplaatsen in andere culturen en tijden,
nodig bij even zoveel vakken.
Gefragmenteerd denken is niet hetzelfde als analytisch denken, dus ook Bèta-vakken geven op dit niveau problemen. En
ten slotte iemand die bang is voor het onbekende en onvoorspelbare lukt het niet zich te voegen in de cultuur van het
voortgezet onderwijs, waar verandering van docenten en lokalen en veranderingen binnen die lokalen normaal is
Uitspraak van een wiskunde student met de diagnose autisme: “Als het waar is dat ik alleen details waarneem, kan ik mijn studie wel
vergeten.”
Was een aantal jaren geleden het met succes gevolgd hebben van het VWO nog een contra-indicatie voor autisme, nu is het
antwoord op bovenstaande in hulpverleners land: “Je kunt ook heel licht autistisch zijn, het spectrum is breed, je hoeft
niet alle kenmerken te hebben en autisten kunnen als ze goed begeleid worden heel veel bereiken.” De “autist” zelf wordt
ondertussen in slaap gesust met de mantra: “Asperger is een milde vorm, waarmee heel goed te leven valt.”
De vraag rijst: hoe “licht autistisch” moet je zijn om niet meer zo genoemd te worden? Want ook al pas je toch niet echt in het
plaatje autisme, dan is er altijd nog PDD-NOS of zelfs de mogelijkheid om alleen “autistische trekken” te hebben.
4. Gevolgen van foute diagnoses
De diagnose autisme wordt niet alleen ten onrechte bij hoogbegaafden gesteld, maar ook bijvoorbeeld bij kinderen met
onverwerkte rouw ten gevolge van een traumatische gebeurtenis, bij kinderen die zich onaangepast gedragen door opvoedingsproblematiek,
of bij adoptiekinderen met hechtingsproblematiek. Het gevolg van een foute diagnose is op de eerste plaats dat de cliënt niet die
hulp krijgt die hij nodig heeft.
Zo heeft een kind met onverwerkte rouw het nodig zijn emoties te uiten. Als echter verondersteld wordt dat onder zijn vlakke
emotieloze uitingen onvermogen schuilt, dan wordt er niet zozeer gewerkt aan het uiten en verwerken van emoties, maar aan het
basaal leren herkennen van die emoties bij anderen. Het onverwerkte leed blijft en kan later tot depressies leiden. Het kind
van gescheiden ouders dat zich terugtrekt, wordt, als er uitgegaan wordt van autisme, niet geleerd dat het niet verantwoordelijk
is voor de ontstane situatie en dus ook niet dat het zich niet schuldig hoeft te voelen.
Een diagnose als het Syndroom van Asperger, of PDD-NOS, onterecht gesteld bij hoogbegaafde kinderen, leidt in eerste instantie
vaak tot opluchting; eindelijk weten cliënt en ouders wat er aan de hand is. Het gegeven dat het iets is waar niemand wat aan
kan doen leidt tot vermindering van schuld- en schaamtegevoelens. Zo gaf een “autistisch” kind aan een ander kind het advies naar
de RIAGG te gaan met als reden: “dan krijg je een diagnose en dan kun je er zelf niets aan doen en dan voel je je ook niet meer schuldig.”
Ouders krijgen te horen dat het een milde vorm is en dit komt overeen met hun ervaringen. Zoon of dochter, zit vol taalgrappen,
is creatief, zit op judo, speelt in een orkest, kan goed meepraten over het probleem. Wel heeft hij moeite met contact maken, maar
ook niet altijd; er zijn situaties waarin hij “opeens” helemaal niet autistisch is! Samenwerken, en bijvoorbeeld plannen geeft nog
wel eens problemen, maar beloofd wordt dat met de juiste begeleiding daar nog veel aan verbeterd kan worden. Met het restant van de
handicap valt dan volgens de hulpverlener goed te leven, zeker ook “omdat er tegenwoordig op scholen, universiteiten en
werksituaties rekening wordt gehouden met de handicap en er ook begeleiding in de thuissituatie gerealiseerd kan worden.”
Na de diagnose volgt behandeling. In psycho-educatie krijgt de client, onder zijn niveau, elementaire kennis aangeboden over
contact leggen en het begrijpen van de basisemoties. Ook wordt er aandacht besteed aan het accepteren van de handicap: “als
autist zul je altijd problemen houden in de sociale omgang.”
Als ze zijn vastgelopen in hun studie wordt er gezocht naar “wat ze nog wel kunnen op de arbeidsmarkt” en krijgen ze het
advies een daarbij passende opleiding onder hun niveau te volgen. Vervolgen ze wel hun studie dan worden ze afhankelijk gemaakt
van hulp en begeleiding in het organiseren en plannen van hun studie, iets wat ze uitstekend zelf zouden kunnen als de werkelijke
obstakels zouden worden opgeruimd.
Het resultaat is het versterken van gevoelens van onzekerheid met als gevolg: gebrek aan zelfvertrouwen en faalangst, soms
uitmondend in een identiteitscrisis of depressie. Kinderen in de basisschoolleeftijd kunnen zich niet verweren tegen deze
aantasting van wie ze werkelijk zijn. Familie, kennissen en buurtgenoten behandelen van nu af het kind als gehandicapt, in
plaats van als een kind met talenten en mogelijkheden. Op school komt de informatie van de GGZ in het dossier van het kind.
Dit dossier gaat een schoolloopbaan lang mee. Terugkeer uit de fuik wordt steeds lastiger. Ook adolescenten die bezig zijn met
het ontwikkelen van hun identiteit en die vastlopen in hun studie en/of contacten kunnen zich moeilijk te weer stellen tegen deze
ondermijning. Hoogbegaafde kinderen gedragen zich van jongs af aan onafhankelijk. Ze hebben al vroeg een eigen mening die nogal
eens tegen de heersende norm of gedachte in gaat, ook hebben ze vaak een goed sociaal inzicht en daarmee gevoel voor wat ethisch
en rechtvaardig is. Ze conformeren zich niet als ze niet inzien waar dat goed voor is. Die onafhankelijkheid breekt ze op als ze
te veel hun eigen weg gaan; ze lopen vast in contacten en in hun studie. Met die ervaring in het achterhoofd, heeft deze
adolescent, als reactie, de neiging zich uiteindelijk te veel te conformeren, zeker als beloofd wordt dat hij geholpen wordt.
Iemand met een diagnose die niet klopt, heeft het niet gemakkelijk als hij zich wil onttrekken aan die diagnose. Hulpverleners,
school, ouders, familie en kennissen en degene die het betreft, houden gezamenlijk het oordeel in stand. Waarnemingen die
twijfel aan de diagnose toelaten, worden ontkracht door ze als niet relevant te labelen, twijfels bij cliënt en of ouders
worden gerekend tot het vooralsnog niet accepteren van de handicap. De cliënt gedraagt zich meer en meer naar de rol, die
hij heeft toebedeeld gekregen. De mensen, die hij het meest vertrouwt, verwachten niet meer dat hij zich normaal kan ontwikkelen.
Als je voortdurend wordt voorgehouden dat je iets niet of slechts mondjesmaat kunt leren, waar zou je dan de kracht en de moed
vandaan moeten halen om het tegengestelde te laten zien. Zo kan het stigma een leven lang mee.
5. Het keren van het tij
Wil er wat veranderen dan zal er eerst onderkend moeten worden dat de huidige toename van het aantal cliënten met ASS en
PDD-NOS niet kan kloppen. Op de tweede plaats zullen de gevolgen van de huidige praktijk onderzocht en serieus genomen moeten
worden. Er zijn aan dit beleid hoge kosten voorbonden, die in plaats dat ze iets opleveren, veel schade veroorzaken; persoonlijke
schade, maar ook maatschappelijke schade, bijvoorbeeld in de vorm van talent dat verloren gaat.
Het hebben van een stoornis, als voorwaarde voor het verkrijgen van hulp, leidt af van werkelijke dialoog. Als er tijdens het onderzoek
dieper wordt ingegaan op de concrete situatie van elke persoon, als er echt geluisterd wordt naar wat iemand te vertellen heeft,
dan komen er uit dit verhaal vaker mogelijke oplossingen naar voren. Eventuele testen moeten dit gesprek aanvullen, niet andersom.
Het te snel geven van een etiket geeft schijnzekerheid en vertroebelt de waarneming, die juist zonodig is voor goede hulp. Zonder
die voorbarige etiketten kunnen leerkrachten en hulverleners veel meer stil staan bij hun waarnemingen en er hun interventies op
aanpassen. Ten slotte ter illustratie een voorbeeld:
een docent van de school voor autisme in Eindhoven is onder de indruk van haar “autistische” hoogbegaafde leerling; hij heeft
voorgesteld een wiskundesom beter uit te leggen dan dat zij zelf heeft gedaan. Ze constateert dat hij slim is. Als je kijkt
naar wat deze leerling eigenlijk doet, namelijk zich zowel op gevoelsniveau als op denkniveau inleven in andere leerlingen en
daarover in contact te treden met de docent, dan weet je al dat deze leerling niet autistisch kan zijn. Een autistisch kind zou
slechts de som verbeteren volgens zijn eigen inzicht. Zonder etiket zou deze jongen te horen kunnen krijgen dat hij zo goed op
zijn medeleerlingen let en dus heel sociaal is. Zo zou hij zelfvertrouwen op kunnen bouwen in het aangaan van contacten.
Literatuur
Rümke; Verkenningen in de psychiatrie, Christofoor, Zeist 2004
Aendekerk e.a.; Bewegen zonder geïntegreerd lichaamsbeeld, Dijkzigt, R’dam 1980
Lafaille; Sociale problemen en afwijkend gedrag, Vuga, Den Haag 1978
Delfos; Een vreemde wereld, SWP, A’dam 2001
Delfos; Het socio-schema als verklaringsmodel voor autisme, SWP, A’dam 2001
Peeters e.a.; Het aspergersyndroom, Garant, Apeldoorn-Antwerpen 2002
Mönks e.a.; Hoogbegaafdheid met vallen en opstaan, KU-Nijmegen 1989
Onderpresteren, artikelen samengesteld door stichting Plato, Wateringen 2003
Burger-Veltmeyer; Asperger en hoogbegaafdheid, in Talent, Maart 2003
Over de auteur:
De auteur is 20 jaar werkzaam geweest in het speciaal onderwijs als docent en als creatief therapeut, op dit moment is zij
supervisor aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.
Francisca Scholte
Wageningen, Oktober 2007